6 op 10

Het is 7:10, de wekker gaat voor de eerste keer af. Luide ‘beeps’ weergalmen door mijn kamer, ik kreun diep, draai me om en schop tegen mijn wekker, die aan mijn voeteinde staat. Zwijgen doet hij niet, dus schop ik nog enkele malen tot ik de snooze knop eens, op puur geluk, mee heb.

Ik voel me goed, boven gemiddeld goed: een lekker humeur, lekker warm. Droge keel maar ik neem een slokje water en alles lijkt goed, een ware utopie! Mijn ogen vallen nogmaals toe en mijn wekker begint nogmaals te krijgen, na enkele goed gemikte schoppen stopt hij weer.

Traag verwijder ik het deken en strompel door mijn donkere kamer heen naar mijn kast. Met een geweldige trok open ik die, koude lucht val naar buiten, over me heen en ik trek een raar gezicht terwijl ik kleren uitkies, pogend om een mooie samenstelling te maken. Wanneer dit niet direct lukt haal ik mijn schouders af, neem het bovenste shirt, bovenste broek, ondergoed, kousen, trui.

“Het zijn toch examens”, zeg ik, ook al is er niemand om me te horen, maar me toch zou moeten verantwoorden. Je weet nooit dat de mode-god mee kijkt, toch?

Mijn cornflakes prop ik mijn keel in en mijn tanden poets ik daarna weer helemaal proper. Met pantoffels losjes rond mijn voeten stap ik naar boven, op Facebook scrollend om het eerste nieuws van de dag op te vangen. De deur van de badkamer gaat open, mijn mama gaat naar buiten en ik naar binnen.

Ik kijk naar mijn eigen gezicht in de spiegel. “Een 6 op 10” denk ik. Ik kijk naar de grond, voel me plots al veel minder goed. Snel haal ik een kam door mijn haar en vertrek naar school. “6 op 10” spookt door mijn hoofd.

Advertisements

Gezeten op een blad…

Gezeten op een groot blad, vroeg in de ochtend, een dauw druppel vallend richting de grond, vleugels plat en hoofd omhoog. Kleine pootjes plakken tegen de vochtige ondergrond, alles rond hem is groen. Zo zat de vlinder daar.

Een grote naaldboom, ik gok een spar, maar weet het eigenlijk niet, staat op de achtergrond, de naalden allemaal in dauw bedekt. Vol verwondering kijk ik naar dit alles, dit schauwspel van de natuur. En hoe in dit alles, de boom gewoon bestond.

De bomen kreunen en kraken onder het gewicht van de wind, een druppel dauw valt van de naald en land op haar stekels. Alles rond haar is bruin, de bladeren en de aarde, zelfs zijzelf. Zo zat de egel daar.

Ik schrik op door het geluid dat boven mij door de lucht golft, een zwarte  vlek schiet tussen de bomen vandaan. Alles is wit en blauw voor hem, met zijn sterke vleugels en holle botten schiet hij weg, de lucht in en door. En hoe in dit alles, de vogel niet eens dacht.

Een stuk vlees

Ik heb net een superbe drukke week gehad, één van die weken die we allemaal wel kennen. We hebben het gevoel dat, hoe hard we ons dan ook mogen inzetten, het onmogelijk is alles gedaan te krijgen. Elke transport seconde moet je benutten om andere dingen te doen: werken doe je op de trein, eten in de file, bellen in de lift. Ogen die langzaam toevallen in een vergadering en hartkloppingen als je dan eindelijk thuis bent.

Op zo’n weken heb ik de nood om het mentale, de diepgang, achter mij te laten. Op zo’n dag trek ik weinig verhullende kleren aan, duw de deuren van een fuifzaal open, snuif de rotte lucht van verdampt bier en opgedroogde kots op en meng me tussen de aanwezigen.

Lichamen tegen lichamen, warme adem rond me heen en helemaal gereduceerd worden tot een -begeerd- stuk vlees. Ogen gericht op mij, terwijl ik mijn handen door mijn korte haar haal. Met een brede glimlach draai ik mij rond, genietend van de aandacht.

Veel mensen haten dit, dit gevoel van een leeg stuk vlees te zijn. Maar ik voel me begeerd, toegegeven, dat is geen slecht gevoel. Mijn lichaam duw ik tegen dat van iemand anders, ik draai me weg wanneer hij zijn mond naar de mijne beweegt.

Nacht Strand

Waar het warm is en de stranden doordrenkt zijn van geluk en wensen, zit ik op mijn ruw deken dat ik ergens op een verre reis eens op de kop heb getikt. Traag sla ik een pagina om, de zon kruip steeds dieper onder water. Mijn bladwijzer schuif ik tussen mijn boek en ik klap het dicht, leg het naast me op het ruwe deken.

Zand knarst, er loopt iemand mijn richting uit. Mijn ogen zijn op de duikende zon gericht. Het knarsen komt dichter. Ik kijk niet op. Een diepe zucht. De zon is bijna weg. Een plot. Hand op mijn schouder. Hij oefent zacht druk uit. Geruststelling. Dat is toch de bedoeling.

“Geruststelling. Toch? Dat is toch de bedoeling?” vraag ik, zonder hem aan te kijken. Het is niet de eerste keer dat ik hier kom zitten. Het is ook niet de eerste keer dat hij me komt storen. “Dat is toch de bedoeling…” brengt hij zachtjes uit. Ik hoef niet te kijken om te weten dat zijn lippen nauwelijks bewegen terwijl hij dit zegt. Zo praat hij altijd als hij stress heeft.

De zon is onder het water gedoken. De maan schijnt nu duidelijker. Een windvlaag. Het natte zand blijft onberoerd. Klein kaarsje flikkert. Kou overvalt me. Mijn warme kleren lijken plots niet meer zo warm.

“Heb je het ook zo’n kou?”

Wat hij eigenlijk bedoelt is of ik geen knuffel wil, hem niet wil vasthouden of me wil laten vasthouden. Geen van beide staat me aan.

“Geen van beiden.”

“Waarom maak je alle al-”

“Ik maak helemaal niets moeilijk.”

Zijn knieën kraken terwijl hij rechtstaat. Zand knarst, er loopt iemand weg van me. Mijn ogen zijn op de horizon gericht. Het knarsen gaat verder en verder weg. Ik kijk niet op. Ik zucht diep.