Almost Twelve

We’re in a shady bar. Dimmed music and silent light. At one side we look out over a river, on the other there’s a busy city.f

A nearby church’s bell will almost let us know it’s midnight. Our knees are  close to touching, but not quite yet, we aren’t comfortable enough yet for that, not yet. My eyes are aimed for yours while you talk, hands tightly wrapped around a steaming cup of tea.

While my eyes are digging into yours, a future is pictured, just for a little while.

Fading. Slowly. Empty.

 

 

Sailing Ship

It was the middle of the night, the middle of the sea. Our ship slowly sails towards our destination, on top of the calm waves, a soft breeze blowing us away. My eyes lock on the last burning candle in my room, the image slowly becoming blurry while my eyes fall closed.

A loud crack, footsteps on the wooden floor. Without hesitation I open my eyes and I see you sitting there. Wearing your most beautiful dress, your golden juwelry and a smile lingering on your lips.

My eyes close, I blink, you’re still there. This is against all my expectations, but I don’t mind. Slowly you stand up, your knees crack, you smile a bit brighter and sit next to me on the bed. Quickly I sit up, once more trying to speak.

You eye me and shake your head, placing your forefinger on your lips, running your other hand through my short hair. It feels better than I remembered.

You lean down.

A boat for two

A green lake in the middle of a green forest, surrounded by green lilly pads and green grass. The boat itself is half green, even. A weeping willow stands at the side of the river, bending over the water, looking at its own reflection. Slowly I put two feet in the wobbling boat.

“Just take it easy” you say, in the comforting way you always do. Ever so gently, as if scared to hurt my feelings, almost as if they’re made out of crystal. I smile. Knowing you only say this because you care.

Grunt. Smack. Step. Stumble. Grabbing. Stabilize! I repeat: stabilize! After a split second I find my balance and quickly go to sit down.

Jump. Smack. Step. Sit. “It’s that easy?” I ask, smiling softly towards you. A wink. Two paddles go into the water as the boat takes off, in the direction of the weeping willow. Slowly daring to turn, making sure I don’t fall in the water, I look around. I tell you I think it’s beautiful and you agree with that.

Nacht Strand

Waar het warm is en de stranden doordrenkt zijn van geluk en wensen, zit ik op mijn ruw deken dat ik ergens op een verre reis eens op de kop heb getikt. Traag sla ik een pagina om, de zon kruip steeds dieper onder water. Mijn bladwijzer schuif ik tussen mijn boek en ik klap het dicht, leg het naast me op het ruwe deken.

Zand knarst, er loopt iemand mijn richting uit. Mijn ogen zijn op de duikende zon gericht. Het knarsen komt dichter. Ik kijk niet op. Een diepe zucht. De zon is bijna weg. Een plot. Hand op mijn schouder. Hij oefent zacht druk uit. Geruststelling. Dat is toch de bedoeling.

“Geruststelling. Toch? Dat is toch de bedoeling?” vraag ik, zonder hem aan te kijken. Het is niet de eerste keer dat ik hier kom zitten. Het is ook niet de eerste keer dat hij me komt storen. “Dat is toch de bedoeling…” brengt hij zachtjes uit. Ik hoef niet te kijken om te weten dat zijn lippen nauwelijks bewegen terwijl hij dit zegt. Zo praat hij altijd als hij stress heeft.

De zon is onder het water gedoken. De maan schijnt nu duidelijker. Een windvlaag. Het natte zand blijft onberoerd. Klein kaarsje flikkert. Kou overvalt me. Mijn warme kleren lijken plots niet meer zo warm.

“Heb je het ook zo’n kou?”

Wat hij eigenlijk bedoelt is of ik geen knuffel wil, hem niet wil vasthouden of me wil laten vasthouden. Geen van beide staat me aan.

“Geen van beiden.”

“Waarom maak je alle al-”

“Ik maak helemaal niets moeilijk.”

Zijn knieën kraken terwijl hij rechtstaat. Zand knarst, er loopt iemand weg van me. Mijn ogen zijn op de horizon gericht. Het knarsen gaat verder en verder weg. Ik kijk niet op. Ik zucht diep.