O’ Gij Kil Jaar

O’ gij kil jaar,

meedogenloos en hard

hebt gij uw stempel gedrukt op deze wereld

op deze toekomst die u niet toebehoort.

O’ gij kil jaar,

blij gaan ik zijn wanneer u

eindelijk, na luid gejoel en luid vuurwerk

de deur achter u moet sluiten en het volgende

jaar zijn intrede maakt in deze wereld.

O’ gij kil jaar,

verdeeldheid was uw kenmerk,

het ondenkbare laten geschieden,

instanties aan stukken reten,

uw specialiteit.

O’ gij kil jaar,

een zakenman en beest

een stuiptrekkende staat

een geschokte wereld

laat gij achter als uw ambassadeurs.

O’ gij kil jaar,

theelicht en kaarsen zijn

als het ware uw symbool geworden,

elk gekrenkt land

draagt het uit.

O’ gij kil jaar,

vertrek

en keer vooral

niet weer.

Hand op een raam

Een warme hand tegen koud raam. Jouw warme hand tegen mijn koude rug. Twee blikken die naar buiten zijn gericht. Traag slik ik eens.

Stilte weergalmt in de kamer, luid als water dat eindelijk de bodem van de waterval raakt.

De druk van je hand verdwijnt. Traag. Voorzichtig. Servies in een kast zetten, goed kijken zodat het toch niet breekt.

Ik breek wel.

Snel, een hand. De druk. Je probeert het servies terug in de kast te duwen. Je maakt het erger. Links en rechts vallen nu dingen van je hand.

Domino. Er worden dingen meegesleurd de afgrond in. Mijn hoofd valt tegen het koude raam, onder mijn neus verschijnt een dampcirkel.

Druk op mijn rug verdwijnt weer. Opgegeven. Hopeloos.

 

 

6 op 10

Het is 7:10, de wekker gaat voor de eerste keer af. Luide ‘beeps’ weergalmen door mijn kamer, ik kreun diep, draai me om en schop tegen mijn wekker, die aan mijn voeteinde staat. Zwijgen doet hij niet, dus schop ik nog enkele malen tot ik de snooze knop eens, op puur geluk, mee heb.

Ik voel me goed, boven gemiddeld goed: een lekker humeur, lekker warm. Droge keel maar ik neem een slokje water en alles lijkt goed, een ware utopie! Mijn ogen vallen nogmaals toe en mijn wekker begint nogmaals te krijgen, na enkele goed gemikte schoppen stopt hij weer.

Traag verwijder ik het deken en strompel door mijn donkere kamer heen naar mijn kast. Met een geweldige trok open ik die, koude lucht val naar buiten, over me heen en ik trek een raar gezicht terwijl ik kleren uitkies, pogend om een mooie samenstelling te maken. Wanneer dit niet direct lukt haal ik mijn schouders af, neem het bovenste shirt, bovenste broek, ondergoed, kousen, trui.

“Het zijn toch examens”, zeg ik, ook al is er niemand om me te horen, maar me toch zou moeten verantwoorden. Je weet nooit dat de mode-god mee kijkt, toch?

Mijn cornflakes prop ik mijn keel in en mijn tanden poets ik daarna weer helemaal proper. Met pantoffels losjes rond mijn voeten stap ik naar boven, op Facebook scrollend om het eerste nieuws van de dag op te vangen. De deur van de badkamer gaat open, mijn mama gaat naar buiten en ik naar binnen.

Ik kijk naar mijn eigen gezicht in de spiegel. “Een 6 op 10” denk ik. Ik kijk naar de grond, voel me plots al veel minder goed. Snel haal ik een kam door mijn haar en vertrek naar school. “6 op 10” spookt door mijn hoofd.

Gezeten op een blad…

Gezeten op een groot blad, vroeg in de ochtend, een dauw druppel vallend richting de grond, vleugels plat en hoofd omhoog. Kleine pootjes plakken tegen de vochtige ondergrond, alles rond hem is groen. Zo zat de vlinder daar.

Een grote naaldboom, ik gok een spar, maar weet het eigenlijk niet, staat op de achtergrond, de naalden allemaal in dauw bedekt. Vol verwondering kijk ik naar dit alles, dit schauwspel van de natuur. En hoe in dit alles, de boom gewoon bestond.

De bomen kreunen en kraken onder het gewicht van de wind, een druppel dauw valt van de naald en land op haar stekels. Alles rond haar is bruin, de bladeren en de aarde, zelfs zijzelf. Zo zat de egel daar.

Ik schrik op door het geluid dat boven mij door de lucht golft, een zwarte  vlek schiet tussen de bomen vandaan. Alles is wit en blauw voor hem, met zijn sterke vleugels en holle botten schiet hij weg, de lucht in en door. En hoe in dit alles, de vogel niet eens dacht.

Nacht Strand

Waar het warm is en de stranden doordrenkt zijn van geluk en wensen, zit ik op mijn ruw deken dat ik ergens op een verre reis eens op de kop heb getikt. Traag sla ik een pagina om, de zon kruip steeds dieper onder water. Mijn bladwijzer schuif ik tussen mijn boek en ik klap het dicht, leg het naast me op het ruwe deken.

Zand knarst, er loopt iemand mijn richting uit. Mijn ogen zijn op de duikende zon gericht. Het knarsen komt dichter. Ik kijk niet op. Een diepe zucht. De zon is bijna weg. Een plot. Hand op mijn schouder. Hij oefent zacht druk uit. Geruststelling. Dat is toch de bedoeling.

“Geruststelling. Toch? Dat is toch de bedoeling?” vraag ik, zonder hem aan te kijken. Het is niet de eerste keer dat ik hier kom zitten. Het is ook niet de eerste keer dat hij me komt storen. “Dat is toch de bedoeling…” brengt hij zachtjes uit. Ik hoef niet te kijken om te weten dat zijn lippen nauwelijks bewegen terwijl hij dit zegt. Zo praat hij altijd als hij stress heeft.

De zon is onder het water gedoken. De maan schijnt nu duidelijker. Een windvlaag. Het natte zand blijft onberoerd. Klein kaarsje flikkert. Kou overvalt me. Mijn warme kleren lijken plots niet meer zo warm.

“Heb je het ook zo’n kou?”

Wat hij eigenlijk bedoelt is of ik geen knuffel wil, hem niet wil vasthouden of me wil laten vasthouden. Geen van beide staat me aan.

“Geen van beiden.”

“Waarom maak je alle al-”

“Ik maak helemaal niets moeilijk.”

Zijn knieën kraken terwijl hij rechtstaat. Zand knarst, er loopt iemand weg van me. Mijn ogen zijn op de horizon gericht. Het knarsen gaat verder en verder weg. Ik kijk niet op. Ik zucht diep.