Hand op een raam

Een warme hand tegen koud raam. Jouw warme hand tegen mijn koude rug. Twee blikken die naar buiten zijn gericht. Traag slik ik eens.

Stilte weergalmt in de kamer, luid als water dat eindelijk de bodem van de waterval raakt.

De druk van je hand verdwijnt. Traag. Voorzichtig. Servies in een kast zetten, goed kijken zodat het toch niet breekt.

Ik breek wel.

Snel, een hand. De druk. Je probeert het servies terug in de kast te duwen. Je maakt het erger. Links en rechts vallen nu dingen van je hand.

Domino. Er worden dingen meegesleurd de afgrond in. Mijn hoofd valt tegen het koude raam, onder mijn neus verschijnt een dampcirkel.

Druk op mijn rug verdwijnt weer. Opgegeven. Hopeloos.

 

 

Advertisements

6 op 10

Het is 7:10, de wekker gaat voor de eerste keer af. Luide ‘beeps’ weergalmen door mijn kamer, ik kreun diep, draai me om en schop tegen mijn wekker, die aan mijn voeteinde staat. Zwijgen doet hij niet, dus schop ik nog enkele malen tot ik de snooze knop eens, op puur geluk, mee heb.

Ik voel me goed, boven gemiddeld goed: een lekker humeur, lekker warm. Droge keel maar ik neem een slokje water en alles lijkt goed, een ware utopie! Mijn ogen vallen nogmaals toe en mijn wekker begint nogmaals te krijgen, na enkele goed gemikte schoppen stopt hij weer.

Traag verwijder ik het deken en strompel door mijn donkere kamer heen naar mijn kast. Met een geweldige trok open ik die, koude lucht val naar buiten, over me heen en ik trek een raar gezicht terwijl ik kleren uitkies, pogend om een mooie samenstelling te maken. Wanneer dit niet direct lukt haal ik mijn schouders af, neem het bovenste shirt, bovenste broek, ondergoed, kousen, trui.

“Het zijn toch examens”, zeg ik, ook al is er niemand om me te horen, maar me toch zou moeten verantwoorden. Je weet nooit dat de mode-god mee kijkt, toch?

Mijn cornflakes prop ik mijn keel in en mijn tanden poets ik daarna weer helemaal proper. Met pantoffels losjes rond mijn voeten stap ik naar boven, op Facebook scrollend om het eerste nieuws van de dag op te vangen. De deur van de badkamer gaat open, mijn mama gaat naar buiten en ik naar binnen.

Ik kijk naar mijn eigen gezicht in de spiegel. “Een 6 op 10” denk ik. Ik kijk naar de grond, voel me plots al veel minder goed. Snel haal ik een kam door mijn haar en vertrek naar school. “6 op 10” spookt door mijn hoofd.

Nacht Strand

Waar het warm is en de stranden doordrenkt zijn van geluk en wensen, zit ik op mijn ruw deken dat ik ergens op een verre reis eens op de kop heb getikt. Traag sla ik een pagina om, de zon kruip steeds dieper onder water. Mijn bladwijzer schuif ik tussen mijn boek en ik klap het dicht, leg het naast me op het ruwe deken.

Zand knarst, er loopt iemand mijn richting uit. Mijn ogen zijn op de duikende zon gericht. Het knarsen komt dichter. Ik kijk niet op. Een diepe zucht. De zon is bijna weg. Een plot. Hand op mijn schouder. Hij oefent zacht druk uit. Geruststelling. Dat is toch de bedoeling.

“Geruststelling. Toch? Dat is toch de bedoeling?” vraag ik, zonder hem aan te kijken. Het is niet de eerste keer dat ik hier kom zitten. Het is ook niet de eerste keer dat hij me komt storen. “Dat is toch de bedoeling…” brengt hij zachtjes uit. Ik hoef niet te kijken om te weten dat zijn lippen nauwelijks bewegen terwijl hij dit zegt. Zo praat hij altijd als hij stress heeft.

De zon is onder het water gedoken. De maan schijnt nu duidelijker. Een windvlaag. Het natte zand blijft onberoerd. Klein kaarsje flikkert. Kou overvalt me. Mijn warme kleren lijken plots niet meer zo warm.

“Heb je het ook zo’n kou?”

Wat hij eigenlijk bedoelt is of ik geen knuffel wil, hem niet wil vasthouden of me wil laten vasthouden. Geen van beide staat me aan.

“Geen van beiden.”

“Waarom maak je alle al-”

“Ik maak helemaal niets moeilijk.”

Zijn knieën kraken terwijl hij rechtstaat. Zand knarst, er loopt iemand weg van me. Mijn ogen zijn op de horizon gericht. Het knarsen gaat verder en verder weg. Ik kijk niet op. Ik zucht diep.