Een stuk vlees

Ik heb net een superbe drukke week gehad, één van die weken die we allemaal wel kennen. We hebben het gevoel dat, hoe hard we ons dan ook mogen inzetten, het onmogelijk is alles gedaan te krijgen. Elke transport seconde moet je benutten om andere dingen te doen: werken doe je op de trein, eten in de file, bellen in de lift. Ogen die langzaam toevallen in een vergadering en hartkloppingen als je dan eindelijk thuis bent.

Op zo’n weken heb ik de nood om het mentale, de diepgang, achter mij te laten. Op zo’n dag trek ik weinig verhullende kleren aan, duw de deuren van een fuifzaal open, snuif de rotte lucht van verdampt bier en opgedroogde kots op en meng me tussen de aanwezigen.

Lichamen tegen lichamen, warme adem rond me heen en helemaal gereduceerd worden tot een -begeerd- stuk vlees. Ogen gericht op mij, terwijl ik mijn handen door mijn korte haar haal. Met een brede glimlach draai ik mij rond, genietend van de aandacht.

Veel mensen haten dit, dit gevoel van een leeg stuk vlees te zijn. Maar ik voel me begeerd, toegegeven, dat is geen slecht gevoel. Mijn lichaam duw ik tegen dat van iemand anders, ik draai me weg wanneer hij zijn mond naar de mijne beweegt.

Advertisements

A boat for two

A green lake in the middle of a green forest, surrounded by green lilly pads and green grass. The boat itself is half green, even. A weeping willow stands at the side of the river, bending over the water, looking at its own reflection. Slowly I put two feet in the wobbling boat.

“Just take it easy” you say, in the comforting way you always do. Ever so gently, as if scared to hurt my feelings, almost as if they’re made out of crystal. I smile. Knowing you only say this because you care.

Grunt. Smack. Step. Stumble. Grabbing. Stabilize! I repeat: stabilize! After a split second I find my balance and quickly go to sit down.

Jump. Smack. Step. Sit. “It’s that easy?” I ask, smiling softly towards you. A wink. Two paddles go into the water as the boat takes off, in the direction of the weeping willow. Slowly daring to turn, making sure I don’t fall in the water, I look around. I tell you I think it’s beautiful and you agree with that.

Nacht Strand

Waar het warm is en de stranden doordrenkt zijn van geluk en wensen, zit ik op mijn ruw deken dat ik ergens op een verre reis eens op de kop heb getikt. Traag sla ik een pagina om, de zon kruip steeds dieper onder water. Mijn bladwijzer schuif ik tussen mijn boek en ik klap het dicht, leg het naast me op het ruwe deken.

Zand knarst, er loopt iemand mijn richting uit. Mijn ogen zijn op de duikende zon gericht. Het knarsen komt dichter. Ik kijk niet op. Een diepe zucht. De zon is bijna weg. Een plot. Hand op mijn schouder. Hij oefent zacht druk uit. Geruststelling. Dat is toch de bedoeling.

“Geruststelling. Toch? Dat is toch de bedoeling?” vraag ik, zonder hem aan te kijken. Het is niet de eerste keer dat ik hier kom zitten. Het is ook niet de eerste keer dat hij me komt storen. “Dat is toch de bedoeling…” brengt hij zachtjes uit. Ik hoef niet te kijken om te weten dat zijn lippen nauwelijks bewegen terwijl hij dit zegt. Zo praat hij altijd als hij stress heeft.

De zon is onder het water gedoken. De maan schijnt nu duidelijker. Een windvlaag. Het natte zand blijft onberoerd. Klein kaarsje flikkert. Kou overvalt me. Mijn warme kleren lijken plots niet meer zo warm.

“Heb je het ook zo’n kou?”

Wat hij eigenlijk bedoelt is of ik geen knuffel wil, hem niet wil vasthouden of me wil laten vasthouden. Geen van beide staat me aan.

“Geen van beiden.”

“Waarom maak je alle al-”

“Ik maak helemaal niets moeilijk.”

Zijn knieën kraken terwijl hij rechtstaat. Zand knarst, er loopt iemand weg van me. Mijn ogen zijn op de horizon gericht. Het knarsen gaat verder en verder weg. Ik kijk niet op. Ik zucht diep.