Almost Twelve

We’re in a shady bar. Dimmed music and silent light. At one side we look out over a river, on the other there’s a busy city.f

A nearby church’s bell will almost let us know it’s midnight. Our knees are  close to touching, but not quite yet, we aren’t comfortable enough yet for that, not yet. My eyes are aimed for yours while you talk, hands tightly wrapped around a steaming cup of tea.

While my eyes are digging into yours, a future is pictured, just for a little while.

Fading. Slowly. Empty.

 

 

O’ Gij Kil Jaar

O’ gij kil jaar,

meedogenloos en hard

hebt gij uw stempel gedrukt op deze wereld

op deze toekomst die u niet toebehoort.

O’ gij kil jaar,

blij gaan ik zijn wanneer u

eindelijk, na luid gejoel en luid vuurwerk

de deur achter u moet sluiten en het volgende

jaar zijn intrede maakt in deze wereld.

O’ gij kil jaar,

verdeeldheid was uw kenmerk,

het ondenkbare laten geschieden,

instanties aan stukken reten,

uw specialiteit.

O’ gij kil jaar,

een zakenman en beest

een stuiptrekkende staat

een geschokte wereld

laat gij achter als uw ambassadeurs.

O’ gij kil jaar,

theelicht en kaarsen zijn

als het ware uw symbool geworden,

elk gekrenkt land

draagt het uit.

O’ gij kil jaar,

vertrek

en keer vooral

niet weer.

Hand op een raam

Een warme hand tegen koud raam. Jouw warme hand tegen mijn koude rug. Twee blikken die naar buiten zijn gericht. Traag slik ik eens.

Stilte weergalmt in de kamer, luid als water dat eindelijk de bodem van de waterval raakt.

De druk van je hand verdwijnt. Traag. Voorzichtig. Servies in een kast zetten, goed kijken zodat het toch niet breekt.

Ik breek wel.

Snel, een hand. De druk. Je probeert het servies terug in de kast te duwen. Je maakt het erger. Links en rechts vallen nu dingen van je hand.

Domino. Er worden dingen meegesleurd de afgrond in. Mijn hoofd valt tegen het koude raam, onder mijn neus verschijnt een dampcirkel.

Druk op mijn rug verdwijnt weer. Opgegeven. Hopeloos.

 

 

6 op 10

Het is 7:10, de wekker gaat voor de eerste keer af. Luide ‘beeps’ weergalmen door mijn kamer, ik kreun diep, draai me om en schop tegen mijn wekker, die aan mijn voeteinde staat. Zwijgen doet hij niet, dus schop ik nog enkele malen tot ik de snooze knop eens, op puur geluk, mee heb.

Ik voel me goed, boven gemiddeld goed: een lekker humeur, lekker warm. Droge keel maar ik neem een slokje water en alles lijkt goed, een ware utopie! Mijn ogen vallen nogmaals toe en mijn wekker begint nogmaals te krijgen, na enkele goed gemikte schoppen stopt hij weer.

Traag verwijder ik het deken en strompel door mijn donkere kamer heen naar mijn kast. Met een geweldige trok open ik die, koude lucht val naar buiten, over me heen en ik trek een raar gezicht terwijl ik kleren uitkies, pogend om een mooie samenstelling te maken. Wanneer dit niet direct lukt haal ik mijn schouders af, neem het bovenste shirt, bovenste broek, ondergoed, kousen, trui.

“Het zijn toch examens”, zeg ik, ook al is er niemand om me te horen, maar me toch zou moeten verantwoorden. Je weet nooit dat de mode-god mee kijkt, toch?

Mijn cornflakes prop ik mijn keel in en mijn tanden poets ik daarna weer helemaal proper. Met pantoffels losjes rond mijn voeten stap ik naar boven, op Facebook scrollend om het eerste nieuws van de dag op te vangen. De deur van de badkamer gaat open, mijn mama gaat naar buiten en ik naar binnen.

Ik kijk naar mijn eigen gezicht in de spiegel. “Een 6 op 10” denk ik. Ik kijk naar de grond, voel me plots al veel minder goed. Snel haal ik een kam door mijn haar en vertrek naar school. “6 op 10” spookt door mijn hoofd.

Gezeten op een blad…

Gezeten op een groot blad, vroeg in de ochtend, een dauw druppel vallend richting de grond, vleugels plat en hoofd omhoog. Kleine pootjes plakken tegen de vochtige ondergrond, alles rond hem is groen. Zo zat de vlinder daar.

Een grote naaldboom, ik gok een spar, maar weet het eigenlijk niet, staat op de achtergrond, de naalden allemaal in dauw bedekt. Vol verwondering kijk ik naar dit alles, dit schauwspel van de natuur. En hoe in dit alles, de boom gewoon bestond.

De bomen kreunen en kraken onder het gewicht van de wind, een druppel dauw valt van de naald en land op haar stekels. Alles rond haar is bruin, de bladeren en de aarde, zelfs zijzelf. Zo zat de egel daar.

Ik schrik op door het geluid dat boven mij door de lucht golft, een zwarte  vlek schiet tussen de bomen vandaan. Alles is wit en blauw voor hem, met zijn sterke vleugels en holle botten schiet hij weg, de lucht in en door. En hoe in dit alles, de vogel niet eens dacht.

I, Snake

Once, I crawled my way into your life. From the moment I got there, I burried my teeth deep into your flesh, in such a way you wouldn’t notice.

You went on with your life, the daily struggles and adventures, seeing me as your friend, your pet. My teeth still deep in your flesh, slowly releasing my poison inside.

Weakened, you went on with your life, my  teeth inside, my poison running through your blood. Teeth too deep to see, too deep to get out again.

Knees to the ground, collapsing, face first against the ground. The taste of blood fills your mouth as I pull out my teeth.

No regret, no pain, no hurt.

Sailing Ship

It was the middle of the night, the middle of the sea. Our ship slowly sails towards our destination, on top of the calm waves, a soft breeze blowing us away. My eyes lock on the last burning candle in my room, the image slowly becoming blurry while my eyes fall closed.

A loud crack, footsteps on the wooden floor. Without hesitation I open my eyes and I see you sitting there. Wearing your most beautiful dress, your golden juwelry and a smile lingering on your lips.

My eyes close, I blink, you’re still there. This is against all my expectations, but I don’t mind. Slowly you stand up, your knees crack, you smile a bit brighter and sit next to me on the bed. Quickly I sit up, once more trying to speak.

You eye me and shake your head, placing your forefinger on your lips, running your other hand through my short hair. It feels better than I remembered.

You lean down.